De vicieuze cirkel van armoede en gebrek aan onderwijs

Armoede gaat over mensen, over wat ze zijn en niet enkel over wat ze niet hebben. Armoede is zeer dikwijls niet te wijten aan gebrek aan middelen maar aan het onvermogen om de bestaande middelen te identificeren, toegang te creëren en ze nuttig en doordacht te gebruiken. Onderwijs en vorming zorgen er voor dat jongeren en volwassenen kennis en vaardigheden verwerven om de beschikbare middelen te zien, te bereiken en te gebruiken en ze in te zetten om een inkomen te verwerven. Onderwijs en vorming zijn daarom van essentieel belang in de strijd tegen armoede. Veel arme mensen zijn echter in een vicieuze cirkel geraakt. De barrières die ze moeten overwinnen om zich te scholen en hun kinderen naar school te sturen, bemoeilijken de toegang tot het onderwijs en hun succeskansen op school.

Scholen bouwen en onderwijzers opleiden is geen garantie dat ook de armste kinderen hiervan kunnen profiteren. De slechte sociaal economische situatie van arme families maakt dat de ouders de kinderen moeten laten werken, hetzij in dienstverband, hetzij in de overlevingslandbouw, hetzij thuis om huishoudelijk werk te doen terwijl de ouders gaan werken.

Ook als kinderen uit arme families wel naar school kunnen haken velen al snel weer af. Reeds bij aanvang van het eerste jaar lagere school staan kinderen uit arme sociaal-economische milieus sterk ten achter op hun leeftijdgenoten uit welgestelde milieus. Dat heeft te maken met voeding, gezondheid, het al dan niet geletterd zijn van de ouders, de aanwezigheid van boeken, tijdschriften en kranten, enz. De eerste levensjaren zijn van doorslaggevend belang voor de intellectuele vorming van het kind. Tekort aan vitaminen en mineralen of aan voldoende voeding kan een blijvende invloed hebben op de intellectuele en fysieke ontwikkeling van kinderen. Veel jonge kinderen uit arme milieus zijn ondervoed waardoor ze van het begin af aan een ongunstige start hebben op de lagere school. Door hun slechte gezondheid zijn ze vaker ziek en verzuimen ze ook meer, waardoor de achterstand nog meer oploopt. De schooluitval onder kinderen uit arme sociaal economische milieus is dan ook enorm.

Alfabetisering van moeders heeft een positief effect op het welzijn en de gezondheidssituatie van jonge kinderen en op hun latere schoolprestaties. Tijdens de scholing ontvangen moeders elementaire kennis over kinderverzorging, opvoeding, hygiëne en gezondheidszorg. Gealfabetiseerde moeders kunnen hun kinderen stimuleren en begeleiden bij hun schoolwerk. Ook voorschoolse educatie in de vorm van crèches en kleuteronderwijs hebben een positief effect op de ontwikkeling van het jonge kind. In de voorschoolse opvang kunnen kinderen medisch gevolgd worden, vaccinaties krijgen en voedingssupplementen, vitaminen en mineralen. Verder kunnen ze door middel van educatieve spelletjes gedurende een paar uur per dag voorbereid worden om daarna met meer kansen op succes naar de lagere school te gaan.

Naast de problematiek van de toegang tot het onderwijs en de onderwijsachterstand onder de sociaal economisch zwakkeren is er de vaststelling dat het lager onderwijs niet ontwikkeld kan worden en dat de economie niet kan groeien als er niet voldoende leerlingen zijn in het voortgezet en hoger onderwijs. Scholen kunnen slechts functioneren als er voldoende en goed gekwalificeerde leerkrachten zijn. Hooggeschoolde kaders, zowel in privé-ondernemingen als in openbare besturen, zijn onmisbaar voor de economische groei van elk land. Aan louter hooggeschoolde kaders heb je echter niets als er geen geschoolde arbeiders en middenstanders zijn om de economie te laten draaien. Vorming van leerkrachten en kaders gebeurt doorgaans in het hoger onderwijs, en om goede studenten in het hoger onderwijs te hebben, is ook een behoorlijk secundair onderwijs onmisbaar. Maar als veel kinderen niet naar de basisschool gaan, de basisschool voortijdig verlaten of onvoldoende toegang hebben tot een passende vorm van voortgezet onderwijs, kan niet worden voldaan aan de behoefte aan geschoold personeel. De economie stagneert en er zijn voor overheden onvoldoende middelen om het onderwijs te bekostigen. De vicieuze cirkel van het instandhouden van armoede betreft dus niet allen individuen, maar ook overheden van arme landen zitten hier in gevangen.

Het fenomeen armoede is echter niet beperkt tot loutere inkomensarmoede. De armen voelen zich ook maatschappelijk en psychologisch uitgesloten van de besluitvorming en hebben het gevoel dat zij niet meetellen. Vandaar dat bij ontwikkeling tegenwoordig de nadruk wordt gelegd op participatie en machtsverwerving (“empowerment”). Onderwijs is natuurlijk één van de meest cruciale hefbomen om mondigheid en participatie te versterken en om die dimensie van de armoedeproblematiek aan te pakken.

Onderwijs is dus de sleutel tot duurzame armoedebestrijding. Maar de ontwikkeling van de onderwijssector moet wel evenwichtig gebeuren, d.w.z. dat scholen op verschillende niveaus mensen moeten vormen waarvan de kwalificaties overeenstemmen met de vraag op de arbeidsmarkt, èn dat er voldoende geld beschikbaar is om het onderwijs te bekostigen